Een van de leukste films van het festival was onverwacht La Bataille de Gaulle: L’Âge de Fer. Geen kunstfilm, maar een extreem vlotte en amusante geschiedenisles: het eerste deel van een tweeluik. Juni 1940. Frankrijk stort in en Maarschalk Pétain tekent de wapenstilstand. Het begin van het Vichy-regime. Te midden van de chaos weigert één pas gepromoveerde generaal te buigen: De Gaulle. Terwijl iedereen het onacceptabele accepteert, vlucht de onbekende generaal naar Londen om te redden wat er nog overblijft van La France. Hij heeft geen leger, geen steun en geen hoop. Maar hij vindt wel dat zijn Frankrijk de wapens niet mag neerleggen. Winston Churchill ziet wat in De Gaulle, al is hij wel bereid hem te dumpen wanneer hem dat goed uitkomt. De Franse regisseur Antonin Baudry was vóór zijn regiecarrière diplomaat en haalde uit zijn ervaringen al de strippenreeks Quai d’Orsay, later verfilmd door Bertrand Tavernier. Dit gevarieerde parcours is voelbaar in het resultaat van L’Âge de fer. De grootste verdienste is dat hij een zeer vlot script produceerde dat niet alleen het verhaal – De Gaulles opmars van nobody tot de hoop van Frankrijk – zeer helder weet te vertellen, maar ook genoeg grappige en gevarieerde momenten inbouwt en zich nooit laat verleiden tot overbodige informatie. Er is wel een parallel verhaal waarvan je aanvankelijk denkt dat het wat los hangt, maar in de finale krijg je een enorme verrassing. Simon Abkarian blijkt een schitterende keuze om de allure te belichamen van deze lichtelijk gekke, bijna belachelijke man. Je krijgt wel nooit hoogte van hem met zijn stijve aspergelichaam dat nauwelijks zijn plaats vindt in de inwisselbare Londense kantoren. Maar waarschijnlijk was De Gaulle zo: een stijve hark die zijn gevoelens nooit toonde. Voor mij werd de film echter een nog iets grotere verrassing dan verwacht. Meer dan tien jaar geleden schreef ik samen met een vriend een script gebaseerd op een boek over Susan Travers, de Engelse chauffeur én minnares van de Franse brigadegeneraal Koenig. Die man was verantwoordelijk voor het enorm lang standhouden van de Vrije Franse troepen in Bir Hakeim tegen het overweldigende Duitse leger. Hij wist bovendien door te breken naar de eerste Engelse basis met zijn overgebleven manschappen. Het was een fantastisch verhaal dat ik hier, bijna als een kortfilm, aan mijn ogen zag voorbijgaan, terwijl ons script twee uur ging duren. Over de romance tussen Koenig en Travers kom je hier niets te weten en de film La Miss werd nooit gemaakt omdat de producer naar het buitenland vluchtte. Hij kreeg het geld niet bij elkaar en besloot het hazenpad te kiezen. L’Âge de Fer moet zowat de grootste Franse blockbuster van het jaar zijn met een budget van zo’n 74 miljoen euro. Twee uur en zestig minuten is lang voor één deel van een diptiek. Deel twee, J‘écris ton nom, volgt op 3 juli en zal ik zeker zien.

De grappigste film van het festival was zonder twijfel Victorian Psycho van Zachary Wigon, vertoond in Un Certain Regard. Zwartgrappig dan wel. Deze satirische horrorfilm speelt in 1858. De overduidelijk waanzinnige Engelse gouvernante Winifred Notty (Maika Monroe) arriveert op het afgelegen landhuis Ensor House op de Yorkshire Moors om er gouvernante te worden van het aristocratisch gezin. Het is een typisch Victoriaans gotisch begin, zoals in The Turn of the Screw van Henry James. Maar dan begint alles te ontsporen in complete waanzin. De bewoners van Ensor House én de rest van de maatschappij blijken even gestoord als naughty Notty. Het woord dat regisseur Wigon gebruikte om de film te omschrijven was ‘demented’. Maar er mag gelachen worden. Zo wordt Notty betrapt terwijl ze intens geniet van rode bietensap alsof het bloed is. De film heeft ook stijl – heel expressionistisch en zelfs cartoonesk, zoals een overdreven Guillermo del Toro. En nog dit: de vertolking van Maika Monroe doet denken aan die van Christian Bale in American Psycho. Er mogen gerust wat meer films als Victorian Psycho zijn in Cannes.

Competitiefilm La Bola Negra van Javier Calvo en Javier Ambrossi wekte pas interesse op in het laatste uur. De film is eigenlijk veel te lang – een uur korter had best gemogen. Maar het concept is enorm interessant. Het verhaal speelt in drie periodes in Spanje: 1932, 1937 en 2017. We volgen de zoon van een rijke man die kans maakt om lid te worden van een casinoclub, maar wordt afgewezen omdat men vermoedt dat hij homoseksueel is. De tweede protagonist is een soldaat van het fascistische kamp die een band opbouwt met een soldaat van het linkse kamp. Het derde verhaal draait rond een homoseksuele schrijver die uitgenodigd wordt in verband met het nalatenschap van zijn grootvader. La Bola Negra doorkruist de tijd om te onthullen wat hen verbindt. De film is geïnspireerd op een onvoltooid toneelstuk van Federico García Lorca en op La Piedra Oscura van Alberto Conejero. García Lorca, die in het begin van de Spaanse Burgeroorlog werd gefusilleerd, is de lijm van een film die slechts tot op zekere hoogte echt boeiend is. De regisseurs verspillen veel tijd met nodeloze scènes en weten de crosscutting niet altijd handig te gebruiken. In gastrollen vallen Penélope Cruz en Glenn Close op.