Minotaur
Andrey Zvyagintsev (Leviathan, The Return) herwerkt Claude Chabrols La Femme Infidèle (1969) en voegt er – zoals we van de regisseur gewend zijn – kritiek op de hedendaagse Russische politiek aan toe. Na bijna een decennium afwezig te zijn geweest van het filmtoneel – hij lag maanden in het ziekenhuis met een zware covidinfectie en moest jarenlang herstellen – betekent Minotaur een indrukwekkende comeback voor Zvyagintsev. Gedragen door twee sterke hoofdrolspelers, Dmitriy Mazurov en Iris Lebedeva, en prachtig in beeld gebracht door zijn vaste cinematograaf Mikhail Krichman, is dit onze persoonlijke winnaar van de Gouden Palm.

Teenage Sex And Death At Camp Miasma
De openingsfilm van de nevensectie Un Certain Regard was meteen een schot in de roos. De verwachtingen rond Jane Schoenbruns nieuwste film waren hooggespannen na We’re All Going To The World’s Fair en vooral I Saw The TV Glow. Terecht, zo bleek. Teenage Sex And Death At Camp Miasma is tegelijk een eerbetoon aan de slashers uit de jaren 80 én een commentaar op de homofobie, transfobie en andere tekortkomingen van populaire genrefilms. Dat alles wordt verteld vanuit het perspectief van de beginnende queer regisseur Kris (Hannah Einbinder), die doorbreekt met een hoogst originele Psycho-spin-off – waarvan we de clou natuurlijk niet verklappen – en de kans krijgt haar favoriete franchise nieuw leven in te blazen met een woke make-over. Daarvoor probeert ze de oorspronkelijke hoofdrolspeelster Billy (Gillian Anderson) opnieuw aan boord te halen.

Soudain (All Of a Sudden)
Met zijn 196 minuten is dit de langste film uit de hoofdcompetitie. Ryûsuke Hamaguchi (Drive My Car) neemt uitgebreid de tijd om de problemen binnen de zorgsector bloot te leggen. Soms voelt de film wat belerend en uitleggerig aan, maar dankzij onze landgenote Virginie Efira en de Japanse Tao Okamoto – respectievelijk als directrice van een woonzorgcentrum en terminaal zieke theaterregisseur – blijven de dialogen authentiek aanvoelen. Bovendien mondt de trage opbouw uit in een bijzonder aangrijpende slotact. Een film die zowel emotioneel als intellectueel bevredigt.

Hope
Uit een heel andere hoek komt Na Hong-jins Hope: een vreemde eend in de bijt binnen de hoofdcompetitie en tegelijk een blockbuster pur sang die meteen stevig uit de startblokken schiet. Het eerste uur, waarin politie-inspecteur Beom Seok (Hwang Jung-min) probeert te achterhalen wie of wat verantwoordelijk is voor het spoor van vernieling in zijn kleine dorp, is actiecinema van de bovenste plank. Daarna vertraagt de film even, om finaal opnieuw letterlijk en figuurlijk het gaspedaal in te drukken. Het grootste minpunt – naast de forse speelduur van 160 minuten – is dat de CGI van de duurste Zuid-Koreaanse film aller tijden iets indrukwekkender had mogen ogen.

La Bola Negra
Javier Calvo en Javier Ambrossi – in hun thuisland beter bekend als Los Javis – verweven in La Bola Negra op geslaagde wijze drie queer verhaallijnen, gesitueerd in 1932, 1937 en 2017. De film, gebaseerd op zowel het gelijknamige toneelstuk van Federico García Lorca als op een werk van Alberto Conejero, vervalt soms in melodrama of expositie. Toch blijft het een pakkende crowdpleaser die in Cannes een van de langste ovaties van de afgelopen jaren kreeg.

Fjord
Laat je niet misleiden door de still: Cristian Mungiu (4 Months, 3 Weeks And 2 Days) levert geen feelgoodfamiliefilm af, maar een intens drama over een gezin bestaande uit de Noorse Lisbet Gheorghius (Renate Reinsve), haar Roemeense echtgenoot Mihai Gheorghiu (Sebastian Stan) en hun vijf kinderen, die zich vestigen in het kleine geboortedorp van de moeder. Aanvankelijk lijkt alles peis en vree, maar wanneer de kinderen verwondingen vertonen en de kinderbescherming ingrijpt, keert bijna het hele dorp zich tegen het streng religieuze gezin. Een sterke film die gaandeweg wel met een tempoprobleem kampt en waarin de rol van het buurmeisje te nadrukkelijk wordt gesuggereerd zonder echt uitgewerkt te worden.

Fatherland
Visueel is dit de indrukwekkendste film uit de hoofdcompetitie, opnieuw in zwart-wit, zoals we van Paweł Pawlikowski (Ida, Cold War) gewend zijn. De film neemt ons mee naar Duitsland vlak na de Tweede Wereldoorlog, waar Thomas Mann (Hanns Zischler) en zijn dochter Erika (een alweer indrukwekkende Sandra Hüller) terugkeren om er enerzijds gevierd en anderzijds als propagandamiddel ingezet te worden. Fatherland was mogelijk nog hoger in onze lijst geëindigd als we meer vertrouwd waren geweest met het werk en gedachtegoed van Thomas Mann.

Coward
Een beetje chauvinisme kan geen kwaad, maar ook zonder dat zou Coward in onze Cannes-top 10 thuishoren. Lukas Dhont situeert zijn queer liefdesverhaal in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Met zijn militaire gezangen en revues doet Coward soms denken aan een musical. Het voortreffelijke production design en de fraaie cinematografie tillen de film nog naar een hoger niveau. Dhont bewijst opnieuw zijn grote talent.

A Girl Unknown
In haar debuutfilm volgt Zou Jing een jong meisje tijdens haar kinder- en tienerjaren. Als slachtoffer van de Chinese eenkindpolitiek wordt ze heen en weer geslingerd tussen verschillende gezinnen en thuissituaties. Een indringende en beklijvende film.

Lucy Lost
Vorig jaar wist Little Amélie ons te charmeren in Cannes; dit jaar neemt Lucy Lost die plaats in. Deze Franse animatiefilm in Japanse stijl begint weinig origineel, met een jong meisje dat een imaginair vriendinnetje ziet – sterk geïnspireerd door Studio Ghibli’s Kiki – maar gaandeweg ontvouwt zich een verhaal dat verbonden blijkt met een historische tragedie, waardoor alle puzzelstukken mooi in elkaar vallen.