Hal Ashby’s Being There (1979) – de verfilming van de gelijknamige roman van de Pools-Amerikaanse auteur Jerzy Kosinski uit 1971 – is een van die zeldzame films die op het eerste gezicht bijna ontwapenend eenvoudig lijkt, maar gaandeweg uitgroeit tot een vlijmscherpe diagnose van hoe macht, media en betekenisconstructie werken. Wat begint als een verstilde satire over een onopvallende tuinman, eindigt als een ongemakkelijke spiegel voor een samenleving die liever projecties ziet dan mensen.
Centraal staat Chance, gespeeld door topacteur Peter Sellers in zijn meest gecontroleerde en paradoxaal complexe rol. Chance is een man zonder innerlijk discours zoals wij dat kennen: hij is gevormd door televisie, tuinieren en routine. Wanneer hij na de dood van zijn werkgever noodgedwongen de wereld in wordt gestuurd, wordt die leegte niet ontdekt als onwetendheid, maar juist gelezen als diepte. Zijn eenvoudige, bijna letterlijke antwoorden worden door de politieke en economische elite geïnterpreteerd als Zen-wijsheid.
Dat misverstand vormt de motor van de film. Ashby die een boegbeeld was van de zogenaamde American New Wave strekking, toont hoe snel betekenis ontstaat wanneer macht en wensdenken elkaar versterken. In ontmoetingen met zakenlieden, mediafiguren, politici tot zelfs de president van de Verenigde Staten toe, wordt Chance steeds verder omhoog gesleurd in een wereld van invloed en symboliek, terwijl hij in essentie niets verandert. Hij blijft dezelfde man, maar de wereld rond hem herschrijft hem constant.

Being There werkt daardoor als satire én als filosofische parabel. De prent bekritiseert niet alleen de politieke klasse, maar ook de manier waarop televisie en media werkelijkheid reduceren tot beelden die men wil geloven. Het is geen toevallige grap dat Chance letterlijk gevormd is door televisie: hij spreekt in echo’s van wat hij heeft gezien en precies dat wordt geïnterpreteerd als genialiteit.
De regie van Hal Ashby is opvallend terughoudend. Ashby vermijdt cynische uitvergroting; hij laat scènes bijna documentair spelen, waardoor de absurditeit des te geloofwaardiger wordt. Die kalmte maakt de satire gevaarlijker: niets voelt overdreven, en net daardoor voelt alles herkenbaar.
Shirley MacLaine en Melvyn Douglas geven de film zijn emotionele zwaartepunt. Hun personages projecteren verlangens op Chance die meer over henzelf zeggen dan over hem. Vooral MacLaine balanceert tussen affectie en illusie: haar fascinatie voor hem is tegelijk romantisch, existentieel en zelfbedrog.

Wat Being There uiteindelijk zo sterk maakt, is dat het geen klassieke ‘ontmaskering’ biedt. Deze scherpe satirische parabel suggereert niet dat de illusie wordt doorprikt, integendeel, ze wordt geformaliseerd en genormaliseerd tot politiek kapitaal. De wereld heeft Chance nodig zoals hij is: leeg genoeg om ingevuld te worden, stil genoeg om niet tegenspreken.
De slotnoot – vaak gelezen als mystiek of ironisch – onderstreept dat idee niet als ontsnapping, maar als consequentie: in een wereld waar beeldvorming sterker is dan inhoud, wordt zelfs leegte verheven tot betekenis.
Being There (onder meer bekroond met een Oscar, twee Golden Globes en een Bafta) blijft daardoor opvallend actueel. Niet omdat hij voorspelde hoe media zouden evolueren, maar omdat hij blootlegt hoe weinig er eigenlijk nodig is om een verhaal geloofwaardig te maken zodra genoeg mensen er belang bij hebben.
Genre: satire, drama, komedie
Jaar: 1979
Regisseur: Hal Ashby
Cast: Peter Sellers, Shirley MacLaine, Melvyn Douglas, Jack Warden, Richard Basehart
Land: Verenigde Staten
Speelduur: 130 minuten