Twintig jaar geleden trok ik voor het eerst naar het International Film Festival Rotterdam (IFFR). Ik heb er toen meer dan veertig films gezien, maar toch had ik achteraf het gevoel dat ik er verloren was gelopen. Het IFFR had in 2006 zo’n 250 lange en 450 korte films in de aanbieding, onderverdeeld in talloze secties. Het jaar nadien heb ik beslist dat ik mij zou focussen op (Oost-)Aziatische films. In landen als Zuid-Korea, China en Japan bruiste het toen van de cinefiele creativiteit, maar het resultaat daarvan was zelden in de Belgische zalen te zien.
Rotterdam was toen hét Europese festival bij uitstek om de (Oost-)Aziatische cinema te ontdekken. Zowel jonge, nieuwe regisseurs als oude rotten die buiten Azië te weinig bekend waren. Eén voorbeeld. In 2007 werd Johnnie To ‘film maker in focus’. Ondertussen is hij geconsacreerd als een van de grootste regisseurs uit Hongkong. Maar toentertijd werd hij ondanks een filmografie met zo’n vijftig (!) titels in alle mogelijke genres gezien als een regisseur van enkele misdaadfilms en thrillers. De retrospectieve in Rotterdam stelde dat beeld grondig bij.
Twintig jaar later is er veel water onder de Erasmusbrug gestroomd. Het IFFR heeft enkele jaren geleden drastisch in zijn programma gesnoeid, zo stonden er dit jaar maar – alles is relatief! – een 180-tal lange films op de affiche. Het aantal Aziatische films is tegen het einde van het vorige decennium drastisch gedaald. In 2019 waren dat er nog maar een dertigtal, maar sinds corona noteren we weer een toename. Dit jaar kon je er zo’n vijftig nieuwe Aziatische titels bekijken, korte films niet inbegrepen.
Maar er worden duidelijke andere accenten gelegd dan twintig jaar geleden. Niet toevallig als je weet dat geen enkele van de programmatoren van toen nog op post is. De opvallendste tendens is dat er veel meer aandacht is voor klassieke verhalende cinema. Rotterdam was – niet alleen wat Azië betreft – het festival waar onverschrokken beeldenstormers en artistieke brandstichters vrije baan kregen. Je kon er de vinger aan de pols houden van de Chinese undergroundcinema, Filipijnse vernieuwers als Khavn en Raya Martin ontdekken of volgen hoe de Singaporees Ho Tzu Nyen op spectaculaire wijze de overstap maakte van beeldende kunst naar cinema. Dat soort revelaties zijn tegenwoordig een stuk schaarser. Opvallend ook: het aantal films uit de drie bovenvermelde landen heeft een knauw gekregen ten faveure van onder meer Indiase titels.
De hierboven aangegeven verschuiving betekent echter niet dat het niveau gedaald is. De iconoclasten die ik tijdens het IFFR heb leren kennen leverden soms ook barslecht werk af. In elk geval: ook dit jaar heb ik me de investering van tien dagen Rotterdam niet beklaagd. Hieronder enkele hoogtepunten:

Ah Girl (Ang Geck Geck Priscilla, Singapore)
Ze is wereldwijs, nieuwsgierig en recalcitrant. Ze is een jaar of zeven, kind van gescheiden ouders en heeft een jonger zusje. Maak kennis met het onweerstaanbare titelpersonage van Ah Girl, een bitterzoete tragikomedie en het ijzersterke langspeeldebuut van Ang. Met een fantastische jonge actrice in de titelrol. De regisseuse, die zich liet inspireren door de scheiding van haar ouders, situeert de film in 1994 en blijft ver weg van bling bling Singapore. Ze toont een andere, rauwere en vooral armere kant van de stadsstaat dan dat we gewend zijn. Met flair gefilmd in een 1,33-beeldkader was dit net niet de beste film die ik in Rotterdam gezien heb. Welk Belgisch festival zet Ah Girl op de affiche. Of beter nog: welke Belgische distributeur waagt de sprong? Dit is zowel toegankelijke als avontuurlijke cinema.

Deadline (Kiwi Chow, Taiwan)
Het beklemmende, bijna militaristische schoolsysteem van Taiwan vakkundig doorgelicht door een regisseur uit Hongkong via een verhaal over scholieren die (al dan niet) geneesmiddelen nemen om beter te presteren op examens. Zelfmoord hangt als een schaduw over de school, dus neen, Zuhal Demir, een studiereis naar Taiwan is overbodig. De film speelt zich bijna volledig af in een monumentaal gebouw, een hedendaagse pendant van een panopticum. Helaas bevat het laatste kwart van de film een paar ongelukkige scenariokronkels die meer met effectbejag dan met een het afronden van het verhaal te maken hebben. Met een zoals altijd geweldige vertolking van Anthony Wong, de grootste levende acteur uit de Chineestalige cinema – een van de allergrootsten tout court – voor wie het woord underacting is uitgevonden.

Nangong Cheng (Shao Pan, China)
Regisseur, scenarist, producer, monteur, componist, sound designer én – een mens wordt er kortademig van – hoofdacteur Shao Pao noemt zijn langspeeldebuut Nangong Cheng een hedendaagse wuxia, al zal deze brok cinema van 197 minuten de diehardfans van martialartsfilms op hun honger laten zitten. Zijn visuele aanpak is opvallend: hij filmt bijna alles in tableaux vivants. Daarbij staat de camera (zo goed als) stil en observeert de actie vanop een afstand. Het contrast met de soepel bewegende camera tijdens climax is treffend. Een intrigerende tweede film – Shao Pan heeft al een documentaire op zijn palmares – die wat traag op gang komt, maar na die aarzelende start almaar meer boeit.

Magalhães (Lav Diaz, Filipijnen)
Een treffend voorbeeld van de veranderende focus van het IFFR is de Filipijnse cultregisseur Lav Diaz. Ooit was hij een vaste waarde in Rotterdam. Magalhães is nog maar de derde film van Diaz die er de voorbije tien edities te zien was, terwijl hij er in die periode negen heeft uitgebracht. Het is ’s mans eerste kleurenfilm sinds 2014 en de allereerste met een internationale ster in de hoofdrol. Gael García Bernal incarneert het titelpersonage, ontdekkingsreiziger Fernão de Magalhães, die begin 16de eeuw in opdracht van eerst de Portugese en vervolgens de Spaanse koning om de wereld probeert te reizen. Van de kuiperijen bij de voorbereiding, de barre, mensonterende zeereizen tot de confrontatie met de inheemse bevolking op de Filipijnen: Diaz filmt het met de hem kenmerkende afstandelijkheid die net dáárdoor – het is de paradox die diens cinema zo intrigerend maakt – de kijker verleidt. Een van de betere films van Diaz van de voorbije vijftien jaar én – met 2u45 – één van zijn kortste. Al is er geen oorzakelijk verband.

Snake Milkers and the Miserable Lady (Vahid Alvandifar, Iran)
Wagens die door desolate landschappen tuffen: van Abbas Kiarostami tot Jafar Panahi is het een constante in de Iraanse cinema. Snake Milkers and the Miserable Lady toont dat de ervaren documentairemaker Vahid Alvandifar in zijn fictiedebuut duidelijk schatplichtig is aan beide regisseurs, maar óók dat hij een eigen stem bezit. Deze roadmovie annex zwarte komedie handelt over twee onkruidverdelgers die het lijk van een overleden collega ophalen om het naar huis te brengen. Tot er iets mis blijkt met het lijk en het een tocht vol hindernissen wordt door een besneeuwd berggebied. Wie wil kan er een kritiek in zien op de wijze waarop de Iraanse samenleving georganiseerd is, maar Snake Milkers and the Miserable Lady is op een eerste plaats een grappige film met verrassende plottwisten.

WOLFGANG (Filmsaaz, Iran-Frankrijk)
What. The. Fuck. Dit is een van bizarste, excentriekste en origineelste films die ik in jaren gezien heb. Een audiovisuele opera, beweert Filmsaaz. Nou moe! Een psychedelische splinterbom, een experiment tot in de vierde graad, ja. Het draait om Wolfgang Amadeus Mozart en ook weer niet. De regisseur vertelt met héél veel vrijheid het verhaal van de libertijnse Mozart als 22-jarige in Parijs, al is het evenzeer het verhaal van een libertijnse queer kunstenaar die in ballingschap in de Lichtstad leeft. De componist wordt zowel vertolkt door een jongen van een jaar of tien als door de gevluchte Iraanse actrice Ghazal Shojaei. Filmsaaz wisselt vreugdevolle kleurexplosies af met een terneerdrukkend clair-obscur, wipt als een sprinkhaan heen en weer tussen tijdlagen en locaties, en zuigt je mee in een duizelingwekkende spiraal aan emoties. Filmsaaz is het alter ego van de 27-jarige Saleh Kashefi, een Iraanse kunstenaar die – u raadt het nooit – als banneling in Frankrijk leeft. Voor deze nobudgetfilm – al is het er niet aan te zien dat de productie slechts een handvol stuivers gekost heeft – was Filmsaaz niet alleen de regisseur, maar ook – zoals Shao Pan hierboven – de scenarist, producer, monteur, cinematograaf, componist en geluidsontwerper. Ik durf nog altijd niet te beweren dat WOLFGANG een goede film is, maar fascinerend van de eerste tot de laatste geschifte seconde: dat zeker wel.
Ook onloochenbaar: Amadeus it ain’t!