In de jaren negentig zit de overtuigde communistische student David (Vladimir Cruz) in een ijssalon in Havana. Nog diep aangeslagen door het huwelijk van zijn eerste grote liefde prikt hij lusteloos in zijn ijsje. De zelfverzekerde Diego (Jorge Perugorría) lijkt zich daar echter weinig van aan te trekken. Zonder uitnodiging schuift hij bij David aan tafel en brengt hem al snel behoorlijk in verlegenheid. Diego, een homoseksuele kunstenaar en welbespraakte criticus van het Cubaanse regime, zet al zijn charme in om de verwarde jongeman voor zich te winnen. Zijn avances vallen echter niet in goede aarde. Samen met zijn vriend en medestudent Miguel (Francisco Gattorno) besluit de trouwe partijaanhanger David de ‘verdachte’ kunstenaar nauwlettend in de gaten te houden.
Hun bedoeling is om deze excentrieke figuur, indien mogelijk, als staatsvijand te ontmaskeren. Maar wat begint als een spionageoperatie groeit al snel uit tot een hechte vriendschap. Diego betrekt David in steeds vuriger discussies over zowel persoonlijke als politieke vrijheid. De gepassioneerde kunstliefhebber wijst hem op vergeten culturele tradities en laat hem inzien dat liefde voor het vaderland niets met ideologie te maken hoeft te hebben. Onder invloed van Maria Callas, Amerikaanse whisky en Engelse thee begint David met andere ogen naar de wereld te kijken. Wanneer Diego’s plannen voor een politiek gevoelige tentoonstelling op niets uitlopen, stapelen zijn problemen zich op.
Tomás Gutiérrez Alea en Juan Carlos Tabío de twee scenaristen en regisseurs van de feelgood-komedie Fresa y Chocolate (1993), laten zien dat respect en tolerantie ook in Cuba allerminst vanzelfsprekend zijn. Uiteindelijk heeft iedereen de keuze: zoals David aanvankelijk met oogkleppen op door het leven gaan of de moed hebben om het leven te leiden zoals je zelf juist acht. In het communistische Cuba blijkt die laatste keuze echter allesbehalve eenvoudig.
Deze Latijns-Amerikaanse maatschappelijke studie toont, soms ontroerend en dan weer met veel humor, hoe twee mensen die nauwelijks meer van elkaar zouden kunnen verschillen, hun land beleven. De tragikomedie laat zich niet verleiden door de schilderachtige decors of bijkomstigheden, maar richt haar aandacht op de kunst van het overleven, een vaardigheid die in Cuba tot in de perfectie is ontwikkeld.
De kracht van de regie schuilt in de manier waarop Alea en Tabío zware thema’s lichtvoetig weten te benaderen. Ze kiezen niet voor een frontale politieke aanklacht, maar voor een intiem karakterdrama waarin de personages centraal staan. Daardoor ontstaat een film die nooit pamflettair wordt.
De regisseurs tonen veel vertrouwen in dialogen. Lange gesprekken over kunst, religie, literatuur, seksualiteit en politiek vormen de motor van het verhaal. Toch blijft het tempo levendig dankzij een fijn gevoel voor humor en een natuurlijke afwisseling tussen komische en ontroerende momenten.

Ook visueel blijft de regie sober. Het Havana van de jaren zeventig wordt niet geromantiseerd, maar getoond als een stad vol verval én warmte. Die realistische aanpak versterkt de geloofwaardigheid van het verhaal en laat de personages alle ruimte om te groeien.
Op papier is het verhaal bijzonder eenvoudig. De orthodox-communistische student David krijgt de opdracht de homoseksuele kunstenaar Diego te bespioneren omdat hij als ideologisch verdacht wordt beschouwd. Wat begint als wantrouwen evolueert echter tot een hechte vriendschap waarin beide mannen hun eigen overtuigingen leren relativeren.
Juist die eenvoud maakt het scenario zo krachtig. De film gaat uiteindelijk veel minder over homoseksualiteit dan over de ontmoeting tussen twee totaal verschillende wereldbeelden. Diego vertegenwoordigt vrijheid, cultuur, individualisme en kritische reflectie; David staat aanvankelijk voor dogmatiek, partijtrouw en conformisme. Hun gesprekken maken duidelijk dat begrip alleen kan ontstaan wanneer mensen werkelijk naar elkaar luisteren.
De tragikomische toon voorkomt dat de film moraliserend wordt. Humor en melancholie houden elkaar voortdurend in evenwicht, waardoor de politieke boodschap des te sterker binnenkomt.
De regie is subtiel, warm en verrassend genuanceerd omdat Tomás Gutiérrez Alea en Juan Carlos Tabío de gevoelige thema’s van Fresa y Chocolate behandelen met opmerkelijke finesse. In plaats van een rechtlijnige politieke aanklacht kiezen ze voor een intiem en menselijk verhaal waarin de personages en hun onderlinge relatie centraal staan. Juist daardoor komt de kritiek op het Cubaanse regime des te krachtiger binnen, zonder ooit belerend of pamflettair aan te voelen.

De regisseurs laten de dialogen het verhaal dragen. De gesprekken tussen David en Diego over kunst, religie, politiek, seksualiteit en persoonlijke vrijheid vormen het kloppende hart van de film. Dankzij een uitgekiende balans tussen humor, emotie en intellectuele scherpte blijven die lange conversaties voortdurend boeien en geven ze de personages steeds meer diepgang.
Ook visueel kiezen Alea en Tabío voor soberheid. Havana wordt niet opgevoerd als een exotische prentkaart, maar als een stad waarin schoonheid en verval hand in hand gaan. Die ingetogen, bijna documentaire stijl versterkt de authenticiteit van het verhaal en biedt de acteurs alle ruimte om hun personages geloofwaardig te laten groeien. Zo ontstaat een tragikomedie die even subtiel als indringend de grenzen van ideologie, vooroordelen en menselijke verbondenheid verkent.
De film staat of valt met de chemie tussen de twee hoofdrolspelers, en precies daar blinkt hij in uit. Jorge Perugorría levert als Diego een fenomenale vertolking af. Hij speelt zijn personage flamboyant zonder ooit een karikatuur te worden. Diego is geestig, intelligent, kwetsbaar en trots tegelijk. Achter zijn ironie schuilt een diepe eenzaamheid, veroorzaakt door de afwijzing van de maatschappij. Perugorría weet al die emoties subtiel te doseren en maakt van Diego een onvergetelijke filmfiguur.
Vladimir Cruz kiest als David voor een veel ingetogener spel. Zijn grote verdienste ligt in de geloofwaardige ontwikkeling van een jonge man die langzaam afscheid neemt van zijn ideologische zekerheden. Zijn evolutie gebeurt niet via grote dramatische uitbarstingen, maar via kleine blikken, stiltes en aarzelingen. Daardoor voelt zijn verandering volledig authentiek aan.
Ook Francisco Gattorno als Miguel en Mirta Ibarra als Nancy zorgen voor sterke bijrollen die de verschillende gezichten van de Cubaanse samenleving vertegenwoordigen. Geen enkel personage wordt gereduceerd tot een stereotype.
Met de optelsom van al deze positieve ingrediënten is het noch verwonderlijk dat de Fresa y Chocolate destijds met staatscensuur te maken kreeg, noch verbazend dat hij de eerste Cubaanse film is die genomineerd werd voor de Oscar voor Beste Internationale Film.
Genre: tragikomedie, drama
Jaar: 1993
Regisseur: Tomás Gutiérrez Alea, Juan Carlos Tabío
Cast: Jorge Perugorría, Vladimir Cruz, Mirta Ibarra, Francisco Gattorno, Joel Angelino
Land: Cuba, Mexico, Spanje
Speelduur: 108 minuten
Fresa Y Chocolate