Emmanuel Marre (21 juni 1980) is een Franse regisseur en scenarist die al jaren een belangrijke plaats inneemt binnen de Belgische auteurscinema. Geboren in de regio Parijs, studeerde hij vanaf 2004 aan het Institut des Arts de Diffusion (IAD) in Louvain-la-Neuve, waar hij in 2008 afstudeerde als regisseur. Sindsdien woont en werkt hij in Brussel en laveert hij tussen documentaire en fictie.
Na verschillende gelauwerde kortfilms en het middenlange D’un château l’autre (2018), dat onder meer in Locarno werd bekroond, maakte hij samen met Julie Lecoustre het sterke en met een Magritte bekroonde Rien à foutre (2021). Dit drama met een schitterende Adèle Exarchopoulos in de hoofdrol, werd geselecteerd voor de Semaine de la Critique in Cannes wat Marre’s internationale doorbraak betekende.
Notre Salut speelt zich af in Vichy, september 1940, tijdens het ontstaan van het collaborerende regime van maarschalk Pétain. De 49-jarige ingenieur Henri Marre arriveert er zonder geld of connecties, maar met zijn zelfgeschreven politieke manifest Notre Salut. Hij hoopt zich via het nieuwe regime een plaats te verwerven en beweert Frankrijk te willen helpen redden. Gaandeweg wordt duidelijk dat hij vooral zijn eigen maatschappelijke en persoonlijke ondergang probeert te ontlopen, waardoor hij steeds verder in de collaboratie verzeild raakt.
Met Notre Salut, zijn eerste langspeelfilm als soloregisseur, bevestigt Marre zijn reputatie als een eigenzinnige filmmaker die fictie met een documentaire spontaniteit vermengt. De Belgisch-Franse productie, geïnspireerd door de correspondentie van zijn overgrootouders tijdens de Tweede Wereldoorlog, won in Cannes 2026 de Prijs voor Beste Scenario en de CST-prijs voor Beste Technische Bijdrage. Op het recente Brussels International Film Festival was het niet alleen de openingsfilm, maar kreeg de film vervolgens de Grand Prix.
Wij konden Emmanuel Marre persoonlijk een reeks vragen voorleggen over onder meer het Vichyregime, zijn familie, de Franse collaboratie met de Duitsers, de banaliteit van het kwaad en de belangrijkheid van humor en muziek in zijn film.

Je overgrootvader werkte voor het Vichyregime. Wanneer ben je dat te weten gekomen en wanneer ontstond het idee om daar een film over te maken?
Dat begon meer dan tien jaar geleden. Mijn tante, die gepassioneerd is door genealogie, liet me een doos zien met de brieven van mijn overgrootouders. Ik wist dat mijn overgrootvader betrokken was geweest bij het Vichyregime en dat hij het politieke boek Notre Salut had geschreven. In mijn familie werd daar nooit echt een geheim van gemaakt, maar er werd ook niet zo veel over gesproken (lichte zucht).
Die brieven uit de periode 1937 tot 1946 raakten me diep. Vooral omdat je de oorlog beleeft vanuit het perspectief van mensen die op dat moment helemaal niet weten hoe alles zal eindigen. Dat is heel anders dan hoe wij vandaag naar die geschiedenis kijken. Wij kennen de afloop, zij niet.
Tijdens mijn onderzoek ontdekte ik bovendien dat mijn overgrootvader helemaal geen uniek geval was. Er waren duizenden mensen zoals hij. Daarom wilde ik geen biopic over Henri Marre maken, maar een fictief personage creëren dat sterk uit die correspondentie voortkomt.
Toch behoudt het hoofdpersonage zijn naam. Waarom?
Omdat ik wilde dat hij dicht bij de echte persoon bleef. Tegelijk is hij geen historische reconstructie van mijn overgrootvader. In de film wordt hij uiteindelijk vooral ‘Monsieur Henri’, een soort generiek personage. Ik wilde niet blijven steken in een kleine familiegeschiedenis. Het gaat over mensen die aan de rand van de grote geschiedenis stonden, maar er wel degelijk deel van uitmaakten.
De vraag die mij interesseert is ook: wat zouden mijn grootouders of overgrootouders hebben gedaan? En vooral: hoe komt iemand stap voor stap terecht in een systeem zonder op een bepaald moment te zeggen: nu ga ik een grens over?
Dat sluit aan bij een belangrijk idee in de film dat het kwaad soms ontstaat uit een opeenstapeling van kleine administratieve handelingen, akkoord?
Zeker. Ik wilde niet vertrekken van grote historische figuren, maar van de mensen op de achtergrond. We kennen de grote collaborateurs, de grote namen, de grote daden. Maar het Vichyregime functioneerde ook dankzij honderdduizenden gewone ambtenaren.
Henri is niet bepaald een beslisser. Hij is een tussenpersoon. Hij categoriseert werklozen, organiseert arbeid en krijgt vervolgens te maken met maatregelen die steeds dichter bij de vervolging en deportatie van Joden komen. Zo ontstaat een raderwerk waarin iedereen slechts een klein onderdeel lijkt te zijn, terwijl het geheel verschrikkelijk wordt.

Je toont opvallend veel administratie, cijfers, formulieren en vergaderingen. Waarom vond je dat zo belangrijk?
Omdat ik wilde tonen hoe een dictatuur van binnenuit werkt. Het kwaad komt niet altijd binnen met laarzen en geweren. Soms verschijnt het in een dossier, een formulier, een statistiek of een vergadering.
Tijdens mijn onderzoek in de archieven vond ik bijvoorbeeld documenten over de berekening van vrachtwagens en benzine voor het transport van Joden. Dat was bijzonder confronterend. Voor de administratie werd het behandeld als een logistiek probleem tussen andere problemen. Dat vond ik veel angstaanjagender dan wanneer je een gewelddadige scène zou tonen. Je ziet hoe iets onvoorstelbaars langzaam een administratieve routine wordt.
Je gebruikt ook humor. Soms is die zelfs behoorlijk ongemakkelijk. Een bewuste keuze toch?
Dat was inderdaad heel bewust. Ik wilde vermijden dat de film vanaf de eerste minuut als een zwaar historisch drama zou aanvoelen. Het Vichyregime presenteerde zichzelf als modern, efficiënt en vernieuwend. Tegelijk was het bijzonder reactionair. Die tegenstelling interesseerde me. Je ziet mensen discussiëren over werkuren of vergoedingen terwijl ze ondertussen een repressief systeem helpen organiseren. In de archieven vond ik bijvoorbeeld administratieve klachten over maaltijdvergoedingen en transportkosten. Ik moest er bijna om lachen, maar tegelijk was het beangstigend. Het deed me onmiddellijk denken aan The Office. Juist omdat het zo banaal lijkt (glimlachje).
Is er een verband tussen Notre Salut en je vorige film Rien à foutre?
Zeker. Beide prenten handelen over mensen die binnen een systeem werken en daarin hun plaats proberen te vinden. In Rien à foutre ging het onder meer over management en de arbeidswereld. In Notre Salut keren die thema’s terug, maar in een veel donkerder context.
Ik ben geïnteresseerd in personages die niet centraal staan, de brave soldaten die door een systeem worden gebruikt en uiteindelijk ook zichzelf verliezen. Het verschil is dat Rien à foutre kijkt naar mensen die door een systeem worden gevormd, terwijl Notre Salut ook onderzoekt wat er gebeurt met mensen die zelf in zo’n systeem willen stappen.

Henri is geen klassieke slechterik. Je vermijdt duidelijk een zwart-witbeeld, akkoord?
Ik wilde hem niet voorstellen als iemand die van bij het begin volledig goed of volledig slecht is. Er waren verschillende kleuren binnen Vichy en ook binnen één personage kunnen verschillende motieven naast elkaar bestaan.
Henri is vooral iemand die verlangt naar sociale erkenning. Hij wil vooruit, wil eindelijk iemand zijn. Het regime houdt hem voortdurend een betere positie voor, maar laat hem er nooit helemaal toe doordringen. Dat verlangen naar sociale opgang wordt uiteindelijk een belangrijke motor van zijn gedrag. Er is dus een ontmoeting tussen opportunisme en overtuiging. Hij is ideologisch overtuigd, maar tegelijk ook ambitieus en gefrustreerd.
Ook zijn huwelijk speelt een belangrijke rol. Vooral Paulette lijkt veel scherper te zien wat er rondom haar gebeurt, niet?
Precies. Paulette is voor mij heel belangrijk. In de brieven van mijn overgrootmoeder voelde ik dat ze iets heel lucide had. Ze was zelf katholiek en rechts, maar stelde vragen die haar man niet stelde. Hun huwelijk is ook een verhaal van slijtage (bevestigende hoofdknikjes). Hij is zo geobsedeerd door zijn eigen carrière en zijn politiek engagement dat hij vergeet te kijken naar de vrouw naast hem. Dat persoonlijke en het politieke beginnen elkaar te spiegelen.
De relatie tussen hen is dus niet zomaar een subplot. Ze zegt iets over hoe mensen zichzelf kunnen verblinden en hoe een verlangen om ‘de vlam weer aan te wakkeren’ ertoe kan leiden dat je het essentiële uit het oog verliest.
Waarom breng je een historisch en politiek belangrijk man als generaal en maarschalk Pétain nauwelijks in beeld? Hij koos toch bewust voor actieve collaboratie met de Duitse bezetter?
We zien eigenlijk alleen zijn kepie en zijn achterhoofd. Ik wilde hem niet als een klassiek personage behandelen. Hoewel hij staat voor de figuur van de leider en voor de behoefte aan een leider vond ik dat deze persoon niet bepaald een primair personage voor mijn film.
Zijn portret hangt overal, maar we krijgen geen klassieke historische scène waarin hij als personage wordt opgevoerd. Ik wilde hem eerder als een politieke gedachte laten functioneren dan als een individuele figuur.
Waarom koos je acteur Swann Arlaud voor de hoofdrol van Henri? Zag je iets speciaal in hem?
We zochten naar iemand die het gevoel kon geven dat hij in een pak rondloopt dat eigenlijk te groot voor hem is. Tijdens de improvisaties was Swann meteen fascinerend. Hij kan er tegelijk elegant en verloederd uitzien (monkellachje). Hij heeft ook iets kinderlijks. Dat was belangrijk voor Henri: een gewone man die droomt van een uitzonderlijk lot (glimlacht).
Swann heeft bovendien begrepen dat Henri geen klassieke hoofdrol is. Hij krijgt geen grote acteurscènes waarin hij kan schitteren. Hij moet vooral ruimte laten aan de andere personages. Volgens mij heeft hij buitengewoon goed gedaan. Hij is een sterke acteur en het was fijn om met hem te kunnen werken.
Was Swann Arlaud je eerste keuze voor de rol van Henri?
Je moet weten dat ik tijdens het schrijfproces, nooit een acteur of actrice in mijn gedachten heb waar ik specifiek een rol voor neerpen. We hebben heel veel acteurs op auditie over de vloer gekregen. Toch was iedereen ervan overtuigd dat Swann spontaan in zich had waar we eigenlijk naar op zoek waren voor het personage van Henri, behalve hij zelf en ik (lacht uitbundig). Hij dacht dat dit geen rol was voor hem en dat hij Henri niet geloofwaardig zou kunnen maken. Ik deelde zijn mening, maar omdat iedereen die betrokken was met de casting er honderd procent van overtuigd was dat Swann een traktaat zou zijn, hebben we alle twee de kans gewaagd en ik vind dat het resultaat er best mag zijn (glimlacht).
Je film ziet er opvallend hedendaags uit en je vermijdt zelfs de klassieke historische filmesthetiek, waarom?
Ik wilde het verleden filmen alsof het heden was. Geen opgepoetste historische reconstructie met personages die voortdurend lijken te zeggen: kijk, we zijn in 1942. We filmden veel in natuurlijk licht en gebruikten een digitale Bolex-camera die de kenmerken van een filmcamera met pellicule benadert. We lieten ons ook inspireren door amateurfoto’s uit de archieven. Die beelden zijn vaak veel interessanter dan perfecte historische reconstructies, omdat ze de toevalligheden van het echte leven bevatten. Geen enkel decor werd in de studio gebouwd. We probeerden zoveel mogelijk te filmen op plaatsen waar de gebeurtenissen werkelijk hadden plaatsgevonden.
Je manier van filmen is wel heel direct.
Ja, klopt want ik hou van lange takes en weinig cuts. De film telt 462 shots, wat relatief weinig is voor een film van deze lengte. Sommige shots duren één of twee minuten.
We hebben lang gerepeteerd en daarna vaak meteen gedraaid. Ook de niet-professionele acteurs kregen ruimte om te improviseren. In een scène worden bedrijfsleiders bijvoorbeeld gespeeld door echte bedrijfsleiders. Ze reageren op Swann Arlaud zoals ze in werkelijkheid zouden reageren.
Ik bewonder de films en documentaires van de Brits Peter Watkins. Hij was een pionier en meester van de genres docudrama en mockumentary. Ik wil dat de opname zelf een plek wordt waar het denken en de reacties van mensen kunnen ontstaan (bevestigend hoofdgeknik).
De muziek is misschien wel een van de meest verrassende elementen. Je gebruikt onder meer elektronische muziek die veel later ontstond, werkt dit niet haaks?
Integendeel vind ik althans toch vanuit mijn visie want ik wilde geen muziek gebruiken die automatisch zegt: dit is een historische film. Muziek uit die periode zou de toeschouwer bovendien niet noodzakelijk zin geven om mee te dansen zoals de personages doen op het guitige nummer Popcorn (glimlacht).
Ik heb daarom muziek uit de jaren zestig, zeventig en tachtig gebruikt zoals onder meer Live is Life. Die muziek heeft iets tegelijk moderns en ouderwets en dat past goed bij Vichy. Het regime wilde modern en efficiënt lijken, maar was in werkelijkheid bijzonder ouderwets.
Voor de dansscène op het elektronisch en wereldberoemd instrumentaal nummer Popcorn dat eind jaren 60 werd gecomponeerd door de Duits-Amerikaanse muzikant Gershon Kingsley, hebben we de choreografie op dit aanstekelijk nummer zelfs uit de archieven gehaald (lacht). Ik wilde dat de personages bijna als amateurs dansten, alsof ze een beweging uitvoeren die iedereen kent.
Waarom was het voor je belangrijk om ook de deportatie niet rechtstreeks in beeld te brengen?
Omdat ik het mechanisme wilde tonen dat eraan voorafgaat. Het moment waarop de administratieve machine steeds meer betrokken raakt. We zien de papieren misdaden, de logistiek, de berekeningen. Voor mij was dat belangrijker dan het tonen van geweld. Zodra je het geweld zelf in beeld brengt, bestaat het gevaar dat je er een soort spectaculaire scène van maakt. Ik wilde net tonen dat het kwaad niet groots of verheven is. Het zit in kantoren, in dossiers, in mensen die hun werk doen en ondertussen steeds verder gaan.

Je spreekt over de banaliteit van het kwaad, maar lijkt tegelijk te willen vermijden dat Henri wordt voorgesteld als zomaar een radertje in de machine?
Dat is inderdaad een belangrijk onderscheid. Hannah Arendt heeft beschreven hoe dictaturen een taakverdeling creëren waardoor het geheel uit het zicht verdwijnt. Iedereen doet slechts een deel. Maar in mijn film wil ook duiden dat het niet om het even wie is die dit doet. Er is een ontmoeting tussen opportunisme en overtuiging. Henri is niet zomaar een passief slachtoffer van het systeem. Hij wil erbij horen. Hij wil vooruit.
Wat wil je uiteindelijk dat de kijker meeneemt uit Notre Salut?
Ik wil vooral voelbaar maken hoe een dictatuur functioneert, niet vanuit de top maar van binnenuit. We denken vaak dat mensen in het verleden hetzelfde overzicht hadden dan wij vandaag. Dat hadden ze niet. Ik wilde geen proces tegen mijn overgrootvader maken en ook geen film waarin ik hem vrijspreek. Ik wilde zijn levensloop analyseren en kijken hoe hij stap voor stap terechtkomt waar hij uiteindelijk terechtkomt.
Notre Salut gaat voor mij over een man die volledig in zichzelf opgesloten zit en wiens abstracte ideeën uiteindelijk worden geconfronteerd met de werkelijkheid. Het is een persoonlijke geschiedenis, maar tegelijk ook een verhaal over een collectief systeem.
Je hebt blijkbaar een goede samenwerking met Julie Lacoustre, dat vraag toch om wat meer uitleg?
In het echte leven zijn we een koppel en samen hebben we al de middellange kortfilm D’un château l’autre in 2018 en de langspeelfilm Rien à foutre in 2021 gemaakt. Voor beide projecten hebben we samen het scenario geschreven en Rien à foutre hebben we samen geregisseerd. Voor Notre Salut hebben we ook samen het scenario ontwikkeld, maar hebben Julie en ik de beslissing genomen dat dit mijn eerste soloprent als regisseur zou worden. Julie was wel op de set aanwezig waar ze fungeerde als raadgever, coördinator en het toezicht hield op zowat alles zodat alles vlotjes verliep (glimlacht). Julie zal binnen afzienbare tijd ook solo haar eerste langspeelfilm regisseren en dan zal ik de rol op me nemen die zij vervulde tijdens de opnames van Notre Salut. We vormen een hecht geheel, vullen elkaar creatief aan en hebben kunnen onderling degelijke afspraken maken (lacht). Tof hoor zo’n ervaring (glimlacht).
En dan nog mijn traditionele eindvraag: welke volgende film staat er aan te komen?
Voorlopig helemaal niets (zwaar gekuch). Ik heb écht niks in het vooruitzicht. Ik maak al bijna twintig jaar films en heb altijd een druk schema en een volgend project in gedachten. Deze keer is mijn programma gewoon blank. Dus, misschien doe ik in de nabije toekomst wel eens iets helemaal anders. In een regie van een degelijk theaterstuk heb ik wel zin, maar we zien wel wat er op me afkomt in de nabije toekomst (glimlacht).