Eerder geamuseerd dan geschrokken kijkt Bruno Winter toe hoe een Volkswagen Kever met volle snelheid de Elbe inrijdt en zinkt. De bestuurder, die ongedeerd aan land zwemt en zich later voorstelt als Robert, krijgt van Bruno een merkwaardig eenvoudig aanbod: hij kan met hem meerijden. Bruno woont en werkt vanuit een omgebouwde meubelwagen, een soort mobiele woning waarmee hij door kleine plaatsen in het grensgebied met de DDR trekt. In de plaatselijke bioscopen onderhoudt en repareert hij projectoren, een beroep dat stilaan tot het verleden lijkt te behoren.
Zo begint Im Lauf der Zeit, het derde en laatste deel van Wim Wenders’ roadmovie-trilogie, na Alice in den Städten en Falsche Bewegung. De film uit 1976 is in zekere zin een voortzetting van Alice in den Städten, maar Wenders verlegt de focus. Waar hij in Alice in den Städten al nadacht over fotografie, televisie en de groeiende stroom aan beelden, richt hij zijn blik hier op zijn grote liefde: de cinema.
Met zijn 175 minuten, zwart-witfotografie en uiterst rustige tempo is Im Lauf der Zeit allesbehalve een film die zijn publiek voortdurend bij de les probeert te houden. Integendeel. Wenders vraagt geduld. Hij wil dat je niet zomaar naar zijn film kijkt, maar dat je er tijd voor neemt, erin meegaat en de beelden werkelijk tot je laat doordringen. Pure cinema, zonder haast.
Dat maakt hij meteen vanaf het begin duidelijk. De film opent met technische informatie over het beeldformaat, het zwart-witbeeld en het oorspronkelijke geluid. Alsof Wenders de kijker eerst even wil laten stilstaan bij het medium zelf. Dit is geen film die je achteloos consumeert. Hij vraagt om aandacht, maar niet om de oppervlakkige aandacht die zoveel moderne cinema opeist. Hij vraagt om aanwezigheid.

Tegelijkertijd kijkt Wenders met een mengeling van melancholie en nostalgie naar de toestand van de cinema. Kleine bioscopen verdwijnen, projectoren worden vervangen of niet langer onderhouden en het publiek lijkt steeds minder bereid om zich echt aan een film over te geven. Wenders voelt dat de cinema verandert en vreest dat haar magie verloren gaat.
Centraal staan twee mannen, opnieuw overtuigend gespeeld door Rüdiger Vogler en Hanns Zischler. Nadat ze elkaar tijdens die merkwaardige openingsscène hebben ontmoet, trekken ze samen door het Duitse grensgebied. Het zijn geen klassieke helden. Ze praten niet voortdurend en hun levens zijn verre van voorbeeldig. Robert worstelt met zichzelf en lijkt aanvankelijk zelfs een einde aan zijn leven te willen maken. Bruno werkt in een sector die langzaam verdwijnt.
Toch worden ze gaandeweg helden, juist omdat ze hun eigen kleine verhaal hebben. Ze rijden samen in de grote meubelwagen, luisteren naar muziek, stoppen in dorpen en repareren projectoren in bioscopen waar steeds minder mensen komen. Op de motorkap staat geen glanzend symbool van vrijheid, maar een ouderwets Michelinmannetje dat ’s nachts de weg verlicht. Een mooi detail dat perfect bij de film past: je hoeft geen imposante gestalte te hebben om een held te zijn.
Wenders vertelt ondertussen veel met ogenschijnlijk eenvoudige beelden. In een van de eerste dorpjes dwaalt Robert rond. Hij pakt een krant en ziet kinderen die aan de rivier papieren bootjes laten varen. Even verderop gooit een ander kind steentjes naar de bootjes om ze te laten zinken.

Het lijkt een klein tafereel, maar Wenders maakt er bijna ongemerkt een metafoor van. Later blijkt dat Robert een wetenschapper is die onderzoek doet naar de ontwikkeling van lezen en schrijven bij kinderen. Hij is gefascineerd door het moment waarop kinderen de wereld van woorden ontdekken, maar stelt ook vast dat die fascinatie weer kan verdwijnen. De kinderen met hun papieren bootjes bevinden zich nog vóór dat moment. Voor hen is een krant geen drager van informatie, maar gewoon materiaal om mee te spelen.
En dan zijn er de steentjes die de bootjes doen zinken. Is het een onschuldige kinderlijke daad of ziet Wenders er al een voorbode in van een publiek dat steeds meer behoefte heeft aan actie en spektakel?
Dat soort vragen maakt Im Lauf der Zeit (winnaar Fipresci-prijs in Cannes) zo rijk. De film gaat over twee mannen die onderweg zijn, maar eigenlijk gaat hij over veel meer: over een verdwijnende wereld, over een veranderend publiek en vooral over de vraag wat cinema kan betekenen.
Wenders probeert een bijzondere band te creëren tussen zijn personages en de kijker. Hij neemt de tijd om hen te observeren, volgt hen tot in hun meest alledaagse en intieme momenten en laat zelfs het banale deel uitmaken van de film. Niets hoeft spectaculair te zijn om betekenis te krijgen.

Het mooiste voorbeeld komt wanneer Bruno en Robert achter het filmdoek van een bioscoop een eenvoudig schaduwspel opvoeren voor een groep kinderen. Met nauwelijks meer dan licht en duisternis weten ze hun jonge publiek te betoveren. Het is cinema in haar meest elementaire vorm: een lichtstraal, een scherm en de verbeelding van de kijker.
Misschien is dat ook de reden waarom Wenders voor zwart-wit kiest. Door kleur weg te laten, maakt hij de basis van cinema bijna tastbaar: licht en donker, beweging en stilstand, werkelijkheid en verbeelding.
Er is uiteindelijk niet zoveel nodig om de magie van film opnieuw tot leven te brengen. Dat is misschien wel de meest ontroerende gedachte achter Im Lauf der Zeit. Wenders maakte in 1976 een film over een cinema die volgens hem langzaam aan het verdwijnen was. Achteraf bekeken lijkt zijn pessimisme gedeeltelijk terecht. De manier waarop we films bekijken, is ingrijpend veranderd.
Maar Wenders heeft niet verloren. Zolang er kijkers zijn die bijna drie uur lang met Bruno en Robert willen meereizen, blijft Im Lauf der Zeit bewijzen dat cinema niet noodzakelijk snel, spectaculair of luid hoeft te zijn. Soms volstaan een weg, twee mensen, een oude projector en een scherm. En vooral: de bereidheid om opnieuw echt te kijken.
Genre: drama
Jaar: 1976
Regisseur: Wim Wenders
Cast: Rüdiger Vogler, Hanns Zischler, Lisa Kreuzer, Rudolf Schündler, Marquard Bohm
Land: Duitsland
Speelduur: 175 minuten