Zodra je de half verduisterde zalen binnenstapt van de Parijse Cinémathèque française, gelegen in het 12e arrondissement en gehuisvest in het opvallend moderne gebouw dat werd ontworpen door de beroemde doch onlangs op zijn 96ste overleden Canadees-Amerikaanse architect Frank Gehry, wordt duidelijk dat My Name Is Orson Welles geen klassieke tentoonstelling wil zijn. Dit is geen chronologisch afvinken van een groot oeuvre, geen veilige parade van iconische fragmenten en nostalgische vitrines. Wat er in dit gespecialiseerd museum wordt opgebouwd, is een immersieve ontmoeting met een figuur die zich altijd heeft verzet tegen afbakening. Orson Welles verschijnt niet als standbeeld van de filmgeschiedenis, maar als een bewegend krachtveld: rusteloos, grillig, briljant en vaak ongrijpbaar.
Deze grote tentoonstelling is een knap en boeiend eerbetoon aan Orson Welles, een gerespecteerd acteur, producent, succesvol producent en regisseur. Hij is beslist een van de belangrijkste figuren van de twintigeeuwse cinema. Zijn talrijke films zijn klassiekers geworden. Van stomme films tot talkies, van zwart-wit tot kleur. Hij beleefde in volle glorie de gouden eeuw van de 7e kunst. En niet te vergeten zijn zeker ook de historische jaren in de wereld van de radio. Hij is de man achter het legendarisch radiohoorspel The War of the Worlds uit 1938, een live uitgezonden radioprogramma – eigenlijk een aanpassing van H.G. Wells’ gelijknamige roman – dat de geschiedenis inging omwille van zijn unieke nieuwsbulletin-stijl en dat toen een massa luisteraars deed geloven dat een echte invasie van Marsmannetjes aan de gang was. Dit was een baanbrekend en memorabel evenement dat tot een nooit geziene massahysterie leidde en Welles’ carrière lanceerde. Jawel, Orson Welles was en is onweerlegbaar een reus in de media- en vooral de filmwereld.
De expo ontvouwt zich als een lang, meanderend parcours waarin tijd en thema voortdurend in elkaar schuiven. Als bezoeker word je eerst geconfronteerd met de jonge Welles, de theatermaker en radiopionier die in het New York van de jaren dertig al experimenteerde met stem, ritme en illusie. De afdeling rond radio is opvallend sterk uitgewerkt. Fragmenten uit The War of the Worlds klinken door de ruimte, niet als louter historische curiosa, maar als demonstraties van Welles’ fundamentele inzicht: media zijn geen neutrale dragers, maar machines die realiteit kunnen vormen en vervormen. De tentoonstelling onderstreept dit aan de hand van scripts, aantekeningen en technische schema’s die duidelijk aantonen waardoor en hoe bewust het War of the Worlds-paniek-radio-uitzending was geconstrueerd.

Wanneer het met een Oscar bekroonde meesterwerk Citizen Kane uit 1941 opduikt – Welles was toen pas 25 jaar – het onvermijdelijke zwaartepunt van dit Welles-overzicht, kiest de Cinémathèque gelukkig niet voor loutere verering. In plaats daarvan wordt deze cinematografische mijlpaal benaderd als denkmodel. Storyboards, cameradiagrammen en montagefragmenten maken zichtbaar hoe Welles filmtaal hertekende: diepe scherpte, lage camerastandpunten die plafonds zichtbaar maken en een narratieve structuur die niet lineair voortschrijdt, maar cirkelt rond herinnering en macht. Opvallend is hoe expliciet hier wordt gewezen op Welles’ achtergrond in het theater: de mise-en-scène, het spel met ruimte en perspectief en het idee van het beeld als toneel. Citizen Kane verschijnt in My Name Is Orson Welles minder als een afgerond meesterwerk dan als een explosie van mogelijkheden die de cinema blijvend heeft veranderd.
Een van de sterkste aspecten van deze expo is de aandacht voor Welles’ conflicten met het studiosysteem. Zijn legendarische contract bij RKO wordt niet geromantiseerd, maar kritisch belicht. Documenten rond The Magnificent Ambersons en It’s All True tonen hoe artistieke ambitie en industriële logica steeds harder botsten. Het overzicht maakt hier een belangrijk punt: Welles’ latere reputatie als ‘moeilijke’ kunstenaar wordt niet voorgesteld als een negatieve karaktertrek, maar als het gevolg van een structurele spanning tussen auteurschap en productie.
Die spanning loopt als een rode draad door het Europese deel van het parcours. Wanneer Welles Hollywood achter zich laat en zich in Europa vestigt, verandert de toon van de tentoonstelling merkbaar. Fragmenten uit Othello, Mr. Arkadin en vooral Chimes at Midnight worden omringd door productiemateriaal dat de fragmentarische, vaak chaotische omstandigheden van deze klassiekers voelbaar maakt. De nadruk op Shakespeare is hier opvallend en terecht want My Name Is Orson Welles laat duidelijk zien hoe de grootmeester zich steeds meer herkende in tragische figuren die worstelen met macht, verraad en verval. Falstaff verschijnt bijna als Welles’ alter ego: een groteske, briljante figuur die niet meer past in een wereld die hem ooit nodig had.

Een ander opvallend tentoonstellingsaspect is de expliciete aandacht voor het onvoltooide. Onafgewerkte projecten, alternatieve montages en nooit gerealiseerde plannen krijgen hier een centrale plek. In plaats van deze werken te presenteren als mislukkingen, worden ze opgevoerd als essentieel onderdeel van Welles’ artistieke identiteit. De expo suggereert dat onafheid bij Welles geen tekort was, maar een gevolg van een creatieve drang die altijd groter was dan de beschikbare middelen. Dit wordt versterkt door de manier waarop fragmenten uit latere films naast elkaar worden geprojecteerd, soms zonder duidelijke afbakening, waardoor het gevoel ontstaat dat Welles’ oeuvre één doorlopende, nooit afgesloten gedachte is.
Misschien het meest verrassend is de aandacht voor Welles positie buiten de ‘grote kunst’. Reclamefilms, voice-over-werk en televisieoptredens worden niet weggemoffeld, maar juist benadrukt. Zijn beroemde stem – donker, ironisch, verleidelijk – krijgt een eigen ruimte. Deze sectie maakt pijnlijk duidelijk hoe Welles zijn talenten moest inzetten om zijn persoonlijke projecten te financieren. Tegelijk toont ze zijn vermogen om zelfs commerciële opdrachten naar zijn eigengereide hand te zetten, met humor en zelfbewustzijn.
Visueel en scenografisch is dit carrière-overzicht zorgvuldig opgebouwd. Gedimd licht, spiegels, projecties op onverwachte plekken en het herhaaldelijk zichtbaar maken van plafonds en hoge wanden verwijzen subtiel naar Welles’ filmstijl. Geluid speelt een cruciale rol: stemmen, echo’s en muziek overlappen elkaar, waardoor je nooit helemaal ‘buiten’ het werk staat. Het is geen rustige museumervaring, maar een mentale ruimte waarin je voortdurend wordt aangesproken.
Die overvloed is tegelijk de grote kracht en deels de zwakte van deze visuele en auditieve exposé. Met honderden objecten, documenten en fragmenten vraagt de tentoonstelling veel van haar bezoekers. Niet alles krijgt de rust of context die het verdient en wie minder vertrouwd is met Welles’ werk, kan zich af en toe zelfs wat verloren voelen in technische details en historische zijpaden. Maar ook dat lijkt een bewuste keuze. Deze tentoonstelling weigert Orson Welles te vereenvoudigen, te reduceren tot een paar bekende titels of anekdotes en dat is maar goed ook.

Toch is het als Belg wat jammer om vast te stellen dat er weinig aandacht wordt besteed aan Harry Kümels cultfilm Malpertuis uit 1971. In dit Vlaams gothic curiosum avant la lettre, een verfilming van de gelijknamige roman uit 1943 van de Gentse auteur Jean Ray, vertolkte Welles ten slotte toch op imponerende wijze een stervende patriarch die goden gevangenhoudt, een rol die op dat moment perfect paste bij zijn imago van vervallen genie. Malpertuis was een groots opgezette Belgische co-productie waarvoor tevens tal van opnames in Vlaanderen plaatsvonden. Bovendien daagden naast enkele internationale acteurs ook Belgische ronkende namen als Dora van der Groen, Charles Janssens, Jenny Van Santvoort, Marc Didden, Ward de Ravet, Fanny Winkler, Bob Storm, Gella Allaert, Cyriel Van Gent, Hugo Dellas, Mieke Felix, Mariette Van Arkkels, in deze politiek-sociale allegorie op. Malpertuis was trouwens een belangrijk sleutelwerk om te begrijpen hoe België zich in de jaren 60 en 70 probeerde te positioneren als filmland. Maar kom, de expo vindt plaats in de hoofdstad van Frankrijk en Malpertuis was slechts een spat in het omvangrijke artistieke oeuvre van de grote Welles en daarom dus wel te begrijpen.
Aan het einde van het parcours blijf je achter met het gevoel dat je Welles niet ‘begrepen’ hebt, maar hem even hebt gevolgd in zijn ambities, zijn mislukkingen en zijn koppige geloof in cinema als kunstvorm. My Name Is Orson Welles is geen afgerond portret, maar een open uitnodiging tot herziening. Het is een tentoonstelling die je niet afsluit met een conclusie, maar met een vraag: wat betekent het om kunstenaar te zijn in een wereld die voortdurend grenzen oplegt? Voor wie cinema ziet als denkruimte en strijdtoneel, is dit een uitzonderlijk rijke en uitdagende ervaring die nog lang op je netvlies blijft nazinderen zelfs nog lang nadat je de zalen van de Parijse Cinémathèque hebt verlaten. Uiteraard projecteert dit museum ook een filmretrospectieve van Welles imponerend filmoeuvre.
Wie de komende weken op citytrip is in Parijs kan naast de verblindende kerstversieringen en de feestelijke grootwarenhuisetalages, nog tot 11 januari 2026 terecht in La Cinématèque française gelegen aan de Rue de Bercy, 51 (Metro Bercy) voor de tentoonstelling My Name Is Orson Welles. Openingsuren: alle dagen van 11:00u tot 19:00u, zaterdag en zondag van 11:00u tot 20:00u, gesloten op dinsdag en 25 december 2025. De toegangsprijzen variëren van 7 euro tot 14 euro per ticket, exclusief filmvertoningen. Alle verdere info vind je op https://www.cinematheque.fr/exposition.html