Er zijn hypes en er zijn bewegingen die zich zo hardnekkig in het culturele landschap nestelen dat ze stilaan onvermijdelijk worden. De muzikale biopic hoort vandaag zonder twijfel in die laatste categorie. Wat ooit sporadisch opdook als prestigeproject, is intussen uitgegroeid tot een haast industriële productielijn van mythes, comebackverhalen en zorgvuldig georkestreerde tragedies.
En ja, deze moderne golf kreeg zijn beslissende duw in de rug met Bohemian Rhapsody, deze film over Freddie Mercury stak het vuur (opnieuw) aan de lont voor de (her)opflakkering van het genre en niet alleen omwille van de box office, maar omdat Rami Malek met zijn Oscarwinnende vertolking aantoonde wat dit soort films verlangt: geen imitatie, maar transformatie. Het publiek wil geen acteur die lijkt op een artiest, maar een acteur die hem belichaamt. Freddie Mercury werd in Bohemian Rhapsody niet alleen herdacht, maar opnieuw gelanceerd als wereldwijd icoon voor een nieuwe generatie. Dat enorme schot in de roos heeft sindsdien een hele generatie performers uitgedaagd en soms ook verpletterd.
De blauwdruk voor die intensiteit lag er eigenlijk al met Taylor Hackfords Ray waarin Jamie Foxx zich zo diep in Ray Charles ingroef dat het onderscheid tussen performer en personage bijna geheel vervaagde. Hetzelfde gold voor Walk the Line van James Mangold, waar Joaquin Phoenix en Reese Witherspoon niet alleen speelden, maar ook zelf zongen, een traditie die de hedendaagse muzikale biopic gretig heeft overgenomen. Authenticiteit is geen bonus meer, maar een vereiste.
‘Fast forward’ naar de recente golf. En daar zie je hoe elke film een eigen balans zoekt tussen eerbetoon en interpretatie. Ook bij Judy moeten we even stilstaan. Regisseur Rupert Goold kiest bewust voor een intiem perspectief. In plaats van de volledige carrière van Judy Garland te tonen, focust dit portret zich op haar latere jaren en de tol van roem. Het resultaat is minder een klassieke rise to fame-biopic, maar meer een kwetsbaar portret van een artieste die haar eigen legende nauwelijks nog kan dragen. Actrice Renée Zellweger haalt met haar intense vertolking van La Garland én haar verrassend zangtalent, een tweede Oscar binnen.
Rocketman van Dexter Fletcher blijft een van de meest gedurfde voorbeelden. Taron Egerton kiest er niet voor om Elton John simpelweg na te bootsen, maar om hem emotioneel te vertalen. Zijn performance is tegelijk exuberant en kwetsbaar en tilt het excentrieke levensverhaal van de wufte I’m still Standing-performer boven het klassieke cradle-to-grave format uit. Het is een biopic die begrijpt dat waarheid soms beter werkt als ze door een fantasiefilter gaat.

Dat contrast wordt scherp wanneer je kijkt naar Baz Luhrmanns Elvis. Austin Butlers vertolking van The King Presley is bijna method acting op steroïden: fysiek, vocaal, obsessief. Hij verdwijnt zo diep in de rol dat het maanden duurde voor hij zijn eigen stem terugvond, een detail dat intussen even legendarisch is geworden als de film zelf. Tegelijk is er Tom Hanks als Colonel Parker, een performance die het risico illustreert van het genre: wanneer stijl en accent de bovenhand nemen op nuance.
Luhrmann krijgt maar niet genoeg van de Pelvis want hij realiseert later ook nog Epic: Elvis Presley in Concert. Over dit document houden we het kort want de flamboyante filmmaker maakt er geen biopic van en hoort dus eigenlijk meer thuis in de categorie documentaire. Toch is deze hommage een overweldigende en verbluffende audiovisuele rollercoaster. Presley wordt hier niet zozeer geanalyseerd als wel geabsorbeerd in een overdaad aan glitter, montage en muziek. Het leven als spektakel, de mythe als waarheid of omgekeerd.
Recente biopics tonen ook hoe moeilijk het is om het juiste evenwicht te vinden. Sam Taylor-Johnsons Back to Black legt het excessieve leven van Amy Winehouse opnieuw onder de loep met Marisa Abela in de hoofdrol. Haar prestatie is technisch sterk, maar de film zelf worstelt met een fundamentele vraag: hoe vertel je een verhaal dat het publiek al denkt te kennen, zonder het te banaliseren? Back to Black werd geprezen omwille van Abela’s fysieke en vocale inzet, maar riep tegelijk vragen op over de noodzaak van de film op zich. Wanneer een leven al zo uitvoerig gedocumenteerd en geanalyseerd is, wat voegt fictie er dan nog aan toe? Het is een vraag die vaker opduikt binnen deze contemporaine trend.
Bij Bob Marley: One Love van Reinaldo Marcus Green, zien we Kingsley Ben-Adir als reggae-boegbeeld Bob Marley. Zijn vertolking is ingetogener, minder flamboyant, maar net daardoor interessant: hij kiest niet voor imitatie, maar voor aanwezigheid. Hij speelt Marley niet als icoon, maar als mens binnen een politiek en spiritueel krachtveld. Het is een subtielere aanpak, die niet altijd de luidste applausmomenten oplevert, maar wel blijft nazinderen.
Ook vrouwelijke iconen blijven een complexe uitdaging. Liesl Tommy’s Respect gaf Jennifer Hudson de kans om Aretha Franklin te vertolken, een befaamd personage die ze vocaal moeiteloos aankan, maar die dramaturgisch gevangen blijft in een vrij conventionele structuur. In Whitney Houston: I Wanna Dance with Somebody van Kasi Lemmons, probeert Naomi Ackie iets gelijkaardigs met Whitney Houston: balanceren tussen imitatie en interpretatie, tussen eerbetoon en dramatische spanning.

Intussen blijft de muzikale biopic gestaag evolueren. James Mangolds A Complete Unknown, met Timothée Chalamet in de huid van His Bobness ofte Bob Dylan, toont hoe de nieuwe generatie acteurs zich op dit terrein stort. Chalamet zingt en speelt in deze biografische prent, geheel volgens de intussen obligate traditie, zelf wat opnieuw wijst op die drang naar totale belichaming.
Bijna parallel met A Complete Unknown laat men Deliver Me from Nowhere van Scott Cooper op de fans los. Jeremy Allen White waagt zich aan een cinematografische verpersoonlijking van Bruce Springsteen, specifiek tijdens de introspectieve Nebraska-periode van the Boss. Deze film was in een zekere zin wel veelzeggend in het kader van alweer en tendensverschuiving binnen dit genre: de biopic verschuift van het hele levensverhaal naar één cruciaal moment wat bijna evident leidt tot meer focus en meer diepgang.
En dan zijn er uiteraard nog de buitenbeentjes. Better Man van Michael Gracey met Robbie Williams kiest voor een radicale vorm met een CGI-aap als het alter ego van de zanger en ondergraaft daarmee het idee dat een biopic per definitie realistisch moet zijn. In Kneecap, het controversieel hiphoptrio uit Belfast, gooit regisseur Rich Peppiatt het over een semi-fictieve, anarchistische boeg waarin de rappende bandleden zichzelf spelen en laat zien dat het genre ook jong, politiek en speels kan zijn.
Ook Song Sung Blue van Craig Brewer met uitstekende prestaties van Hugh Jackman en Kate Hudson waarin liederlijk wordt geknipoogd naar Neil Diamond, past binnen dit beknopt overzicht omdat hier niet alleen wordt ingezoomd op het leven van artiesten, maar zich vooral toespitst op de innerlijke strijd achter het succes. Waar Bohemian Rhapsody en Walk the Line zich focussen op de opkomst en persoonlijke demonen, legt Song Sung Blue meer nadruk op de creatieve explosie en de prijs van artistieke genialiteit. De prent wisselt energieke performances af met intieme momenten, waardoor je niet alleen de muziek, maar ook de mens achter de artiesten leert kennen.
In dit bescheiden onderdeeltje mag zeker Straight Outta Compton – hoewel die Bohemian Rapsody al enkele jaren voorafgaat – van F. Gary Grayzeker niet worden vergeten. Deze flick vertelt volledig eigenzinnig binnen het genre, het collectieve verhaal van de legendarische Amerikaanse hiphopgroep N.W.A (Niggaz Wit Attitudes) met als muzikaal grensverleggende leden Dr. Dre, Ice Cube, Eazy-E, MC Ren en DJ Yella, en plaatst de muziek expliciet in een bredere maatschappelijke context. De opkomst van de band wordt nauw verbonden met thema’s als politiegeweld, raciale spanningen en de harde realiteit van Compton, waardoor de prent bijna evenzeer een sociaal portret als een muzikale biografie is. Dat maakt hem rauwer en directer dan de meeste klassieke biopics en tegelijk ook politiek relevanter.

Uiteraard hoort hier ook het Vlaamse Marina van Stijn Coninx thuis. Beslist een interessant biografisch portret omdat het de formule vrij klassiek houdt, maar inhoudelijk sterk lokaal en sociaal verankerd is. De film vertelt het verhaal van Rocco Granata en focust vooral op zijn jeugd als migrant in Belgisch Limburg, waar muziek een uitweg wordt uit armoede, racisme en familiale druk.
Wat Marina onderscheidt van veel Angelsaksische biopics, is dat de nadruk hier minder ligt op roem en spektakel en meer op afkomst en identiteit: de weg naar de hit Marina wordt bijna een symbool voor sociale emancipatie. Tegelijk blijft de prent vrij traditioneel opgebouwd (chronologisch, emotioneel herkenbaar), waardoor hij dichter aansluit bij het Europese, meer ingetogen type biopic dan bij de flamboyante stijl van bijvoorbeeld de cinematografische Elvis-memorabilia.
En de trein van de muzikale biopic dendert niet alleen in een grote vaart verder, hij blijft ook nieuwe wagons aanhaken, telkens met grotere ambities en nog hogere inzet. Deze week krijgt die trein er een van zijn meest beladen en tegelijk meest geanticipeerde haltes bij: Antoine Fuqua’s Michael, de film die het leven van Michael Jackson naar het grote scherm brengt. Een release die niet zomaar past binnen de trend, maar ze op scherp stelt.
Want als één artiest tegelijk mythe, genie en controverse belichaamt, dan is het Jackson wel. De vraag is hier niet alleen hoe je zo’n leven vertelt, maar óf je het überhaupt kan vatten in twee uur cinema zonder te vervallen in ofwel heiligverklaring ofwel reductie.
De casting alleen al zegt veel over de ambitie: Jaafar Jackson – familie van en dus geen toeval – neemt de rol op zich. Dat zorgt voor een extra laag: dit is niet enkel acteren, maar ook een vorm van erfgoedbeheer. De fysieke en choreografische precisie hier leunt huiveringwekkend dicht aan bij de originele King of Pop. Maar zoals de recente biopics hebben aangetoond, ligt de echte uitdaging de laatste tijd zeker elders.

Wat je niet kan ontkennen is dat Michael wel de bioscoopzalen binnen moonwalkt op een interessant moment. De voorbije jaren hebben namelijk aangetoond dat het genre volwassen is geworden of toch op zijn minst het sterk probeert. Waar Bohemian Rhapsody nog vrij veilig laveerde tussen drama en publiekspleasing, zie je vandaag meer variatie in toon en aanpak.
De muzikale biopic is trouwens niet enkel een USA en UK-fenomeen want de voorbije pakweg tien jaar zie je in Frankrijk eigenlijk ook een duidelijke heropleving van het genre, maar met een iets andere toon dan in Hollywood: minder spektakel en meer nadruk op erfgoed en melancholie.
In de recente Franse golf duikt Lisa Azuelos’ Dalida op als een van de bekendste voorbeelden: de film volgt Dalida vrij klassiek, met nadruk op haar internationale succes maar vooral op de tragiek en eenzaamheid achter haar carrière. Daarnaast heb je ook Aline, losjes gebaseerd op het leven van Céline Dion, geschreven, geregisseerd en geacteerd door Valérie Lemercier.
Iets later komt Barbara van regisseur Mathieu Amalric over een legendarische Franse zangeres die Barbara heet. Hij doet net het tegenovergestelde van de gangbare norm en levert dus geen traditionele biopic af, maar een speelse, gelaagde film over een actrice, concreet Barbara en vertolkt door Jeanne Balibar, waardoor realiteit en interpretatie door elkaar lopen.
Met Gainsbourg, Vie héroïque (iets ouder, maar nog steeds invloedrijk) geregisseerd door de bekende striptekenaar Joann Sfar, zie je dan weer hoe Monsieur Gainsbarre bijna als mythisch figuur wordt neergezet, met fantasie-elementen: een soort mensgrote pop met lange vingers en een enorme neus volgt Gainsbourg doorheen de ganse prent, een verbeelding voor Lucien Ginsburg zijn innerlijke demonen.

Recente projecten zoals Monsieur Aznavour van Idir en Malade keren terug naar een meer klassieke vorm, met focus op doorzettingsvermogen en carrièreopbouw van Charles Aznavour (een glansrol voor Tahar Rahim). Tegelijk blijft de invloed van oudere referenties zoals Olivier Dahans La Môme over het turbulente leven van Édith Piaf – briljant gereïncarneerd door Marion Cotillard – voelbaar: fragmentarische vertelstructuur, focus op lijden en roem als tragedie. Samen tonen deze films hoe de Franse biopic balanceert tussen respectvolle reconstructie en artistieke interpretatie, vaak met meer aandacht voor psychologie dan voor puur spektakel.
Met Cloclo van Haffad en Siri over Claude François (iets ouder, maar ook nog steeds bepalend) krijg je een energiekere film die de obsessie met perfectie en succes centraal zet. Onze in Brussel geboren topacteur Jérémie Renier vertolkt op een schitterende manier het razend populaire Alexandrie Alexandra-muzikaal fenomeen. Renier hoopte terecht op een César voor zijn huzarenprestatie, maar de eer viel te beurt aan Jean-Louis Trintignant voor Amour.
Meer recent brengt Audrey Estrougo’s Suprêmes het verhaal van het rapduo Suprême NTM, waarbij de nadruk ligt op sociale context en de opkomst van hiphop in de Parijse banlieues. Samen tonen deze titels hoe Franse biopics variëren van klassiek en tragisch tot experimenteel en maatschappelijk betrokken, maar bijna altijd met veel aandacht voor de innerlijke wereld van de artiest.
Waarom deze explosie blijft aanhouden, heeft deels te maken met economie want herkenbare verhalen verkopen nu eenmaal beter. Maar het heeft ook te maken met een diepere culturele honger. In een tijd waarin identiteit versnipperd raakt, bieden deze films een soort narratieve orde. Ze maken van een leven een verhaal dat te begrijpen is, met duidelijke keerpunten en emotionele logica.
Wat ze bijdragen aan de mensheid – om het even heel ruim te formuleren – is misschien net dat ze muziek vertalen, iets abstracts en vluchtigs, naar iets tastbaars. Ze tonen de mens achter de mythe, maar ook de mythe als constructie. Ze herinneren ons eraan dat genialiteit vaak gepaard gaat met twijfel, dat roem zelden zonder kostprijs komt en dat achter elke iconische stem een lichaam schuilt dat kwetsbaar is.

En misschien is dat de echte reden waarom dit soort films een groot publiek blijft aantrekken. Niet voor de perfecte imitatie, niet voor de bekende hits, maar voor dat ene moment waarop een acteur, al spelend, even iets echts raakt. Iets dat niet in de muziek zat, maar er wel altijd al onder lag.
Wie denkt dat we het nu wel al ongeveer hebben gehad op dit vlak, is goed fout want er zit nog heel wat in de pijplijn. Zo wordt er gewerkt aan een film over Linda Ronstadt, waarin Selena Gomez de rol van de legendarische country- en rockzangeres op zich neemt. Daarnaast is Tom Holland gecast om Fred Astaire te vertolken, wat wijst op een mogelijke terugkeer van de klassieke Hollywoodmusical in biopicvorm.
Ook het verhaal van Britney Spears krijgt een verfilming, gebaseerd op haar memoires The Woman in Me en onder regie van Jon M. Chu, bekend van Wicked. Er is ook nog een project rond Ronnie Spector, de frontvrouw van The Ronettes, waarin Zendaya de hoofdrol zal spelen. Deze projecten tonen dat het genre nog lang niet uitgeput is en zich blijft vernieuwen met nieuwe iconen en invalshoeken.
Tot slot geven we nog mee dat regisseur Sam Mendes momenteel volop werkt aan een uniek filmproject over The Beatles. In plaats van één biopic maakt hij vier afzonderlijke films, elk verteld vanuit het perspectief van een bandlid: John Lennon, Paul McCartney, George Harrison en Ringo Starr. Het project is bijzonder omdat alle betrokkenen toestemming hebben gegeven en de films samen één groot verhaal vormen, met een geplande release dicht op elkaar. Wordt zeker vervolgd….